Mijn rechterbeen is nog geen twee tellen uit het goede bed gestapt, of het beddegoed is alweer verschoond, gewassen en gestreken. De kans om de wc vuil te maken is er niet, want voordat wij onze billen hebben gelicht is hij alweer schoongemaakt. Terwijl ik op zoek ga naar de kaasschaaf – hey, die ligt toch altijd daar? – krijg ik op mijn donder: hoe haal ik het in mijn hoofd om zélf de vaatwasser uit te ruimen. Dat doen wij allemaal wel, zeggen de kraamdames.
Lekkage in de badkamer? Al gerepareerd. Belastingaangifte? Open hersenoperatie? Geen probleem mevrouw, meneer, gaat u maar even koffie drinken. Beschuitje erbij? ’Kunnen jullie ook stucen?’, informeer ik voorzichtig.
Maar ze zijn bloedserieus. Terwijl ik in de wandelgangen van mijn eigen sponde als een vreemdeling beweeg, leer ik intussen alles over tepelhoedjes, spuitpoep en lactatie. We zijn blij en dankbaar met zoveel hulp, zeker in die eerste gekke dagen en de gebroken nachten. Maar het is ook een beetje kraamperen in eigen huis – hey, wie heeft de chocoladevlokken verplaatst?