Michael Brecker, de inspirator

Ook bijna vijftien jaar na zijn dood kan het virtuoze spel en het bezielde geluid van saxofonist Michael Brecker (1949-2007) geen jazzliefhebber ontgaan. Zijn carrière omvat zo‘n vijf decennia baanbrekende muziekgeschiedenis. Maar bij veel puristen roept hij gemengde gevoelens op. Zoals bij de redactie van Jazz Bulletin. Ben je wel een echte jazzmuzikant als je met mensen als Eric Clapton hebt gespeeld? En waarom werd hij in de jaren negentig zo vereerd door de Nederlandse conservatoriumstudenten? Is Michael Brecker niet gewoon de zoveelste Coltrane-adept? Vragen waarvan mijn handen gingen jeuken. Hoog tijd dus om de lucht te klaren.

Michael Brecker groeit op in Cheltenham, een buitenwijk van Philadelphia, in een muzikaal nest. Vader Bobby Brecker is advocaat en jazzpianist. Dagelijks klinken de platen van Clifford Brown, Dave Brubeck en Cannonball Adderley door de woonkamer. Moeder Sylvia Brecker schildert portretten. Muziek maken hoort er gewoon bij: broer Randy kiest voor trompet, zus Emily voor klassieke piano, Michael begint op klarinet. Wanneer hij tien is, zoekt hij op zijn gehoor solo’s uit van Jimmy Giuffre. ‘Die heeft soul en speelt mooi in het lage register’, zegt Brecker daarover.

Op zijn dertiende stapt hij over op de altsax en krijgt hij wekelijks les van Vince Trombetta. Thuis spelen ze jazz­standards en samen met Randy studeert hij in de badkamer, omdat het daar zo lekker klinkt. Verder is hij vooral druk met basketbal en zijn zelfgemaakte scheikunde­set, totdat hij Coltrane hoort. Dan stapt hij over op de tenor.

In 1967 volgt hij een zomercursus bij Berklee in Boston. Wanneer hij geneeskunde gaat studeren aan Indiana University, merkt hij dat hij niets liever wil dan muziek maken. Hij breekt zijn studie voortijdig af en vertrekt in 1969 naar New York, zijn vier jaar oudere broer achterna.

Randy timmert op dat moment al flink aan de weg in groepen als Blood, Sweat & Tears, Art Blakey and the Jazz Messen­gers, The Thad Jones/Mel Lewis Orchestra en Horace Silver. De boomlange Michael wordt door zijn broer op sleeptouw geno­men. Zoals op Randy’s solodebuut Score, dat klinkt als geïnspireerd op het Miles Davis­kwintet van de jaren zestig. Samen nemen de broers twee albums op met de band Dreams: Dreams (1970) en Imagine My Surprise (1971). Die groep bevindt zich in de voorhoede van de ontwikkelin­gen: een soort huwelijk tussen hippie­rock en vrije, modale jazz, met veel ruimte voor improvisatie. Arrangementen komen vaak ter plekke tot stand.

Hoewel het spel van Michael Brecker doorspekt is met jazz, is in die eerste peri­ode vooral zijn liefde voor hippie­rock en rhythm & blues duidelijk te horen. Hij haalt inspiratie uit gitaristen als Eric Clap­ton en Jimi Hendrix. Zijn saxofoonspel is in 1970 nog ongepolijst maar sensationeel en virtuoos. Je hoort hem zoeken naar de harmonische spanning, naar de oersound, naar de bevrijdende energie. Hendrix meets Coltrane.

‘Ik wil geen purist zijn, want dan sluit ik mezelf te veel af van de schoonheid van andere soorten muziek’

Michael Brecker

Spirituele ontdekkingsreis

Begin jaren zeventig is de tijd van de ‘loft scene’ in New York. Een groep van zo’n der­tig muzikanten verzamelt zich, onder wie Bob Moses, de gebroeders Brecker, saxo­fonist Bob Berg en pianist Chick Corea.

Muzikanten aan het begin van hun carrière, zonder inkomsten, die samen willen impro­viseren, samen ‘free’ willen spelen. Helaas is daar nog weinig belangstelling voor: de muziek wordt als té avant­ garde gezien.

Onder leiding van David Liebman en Moses organiseren de musici zich. Met suc­ces: van de gemeente krijgen ze het gebouw The Space for Innovative Development tot hun beschikking, een voormalige kerk in midtown Manhattan met een enorme zaal en een prachtige houten vloer. Ze krijgen er een piano bij, kussentjes voor het publiek en subsidie om daar driehonderd concerten per jaar te geven.

Er breekt een periode aan van saamho­righeid en solidariteit. De gedachte dat muziek een hoger doel heeft, wordt niet alleen door hippies maar ook in de jazz community gedragen. Brecker zit er middenin. Deze periode van de loft­scene heeft grote invloed op zijn verdere spirituele en muzikale ontdekkingsreis.

Michael Brecker JazzBuleetin 121 Tom Beek december 2021

In de context van Michael Breckers ont­wikkeling is ook de opkomst van de vorig jaar overleden, enigszins obscure tenorist Steve Grossman (1951-­2020) belangrijk. Diens carrière krijgt begin jaren zeventig een bliksemstart wanneer hij op zijn acht­tiende door Miles Davis wordt gevraagd om Wayne Shorter op te volgen. Later maakt hij naam in de groep van Elvin Jones. Grossman speelt met diepte, met giftige precisie, swingend en gedreven. Gedeeltelijk geënt op de hard­bop­stijlen van bijvoorbeeld Jackie McLean, Sonny Rollins en Don Byas. Zoals Sonny Stitt de stijl van Charlie Parker in kaart bracht, zo integreert Grossman op onnavolgbare wijze het vocabulaire van Coltrane.

Maar de klank van jazz is voorgoed ver anderd. De bedding waarin de tenoristen moeten zien te gedijen zit in die tijd vol gillende gitaren, vrije vormen en obscure effecten. Terwijl Michael Brecker, Jerry Bergonzi, Bob Berg en in mindere mate George Garzone vaak werden beschouwd als de succesvolste post-­Coltrane­saxofo­nisten, zagen insiders – Brecker voorop – Steve Grossman altijd als grote held van hun generatie.

Waar Brecker zich nog volop aan het ontwikkelen was, zou je Grossman vroeg­volwassen kunnen noemen. Toen was al duidelijk: Michael Brecker heeft een lange adem en blijft zoeken. Hij probeert dicht bij zichzelf te blijven, hybride als hij is. ‘Ik wil geen purist zijn’, zegt hij erover, ‘want dan sluit ik mezelf te veel af van de schoon­heid van andere soorten muziek.’ Deze onzekerheden kenmerken de pelgrims­tocht van de spirituele saxofonist, die net zo makkelijk jazz, rock, pop, r&b als Afri­kaanse muziek speelt. Daarin neemt hij zichzelf niet al te serieus. Maar de muziek des te meer.

Abstracte lijnen

De broertjes Brecker zijn van kinds af aan blindelings op elkaar ingespeeld en ontwik­kelen door de jaren heen een sterke en her­ kenbare sound als virtuoze blazerssectie, waar soepele rhythm & blues­licks moeite­loos worden afgewisseld met hippe jazzhar­monieën. Een van de working bands waarin Randy en Mike samen het front vormen is het kwintet van Horace Silver, bijvoorbeeld op de plaat In Pursuit of the 27th Man (1972).

Brecker beschouwt deze jaren als zijn universiteit. ‘Horace heeft me geleerd om de tijd te nemen. En om niet steeds dou­ble ­time te spelen’, vertelt Brecker. ‘Spelen in achtsten, dat is pas funky.’ In zijn spel hoor je geleidelijk aan ook meer invloeden van Joe Henderson en Stanley Turrentine. Ook later, in The Guerilla Band van pianist Hal Galper, weet Brecker bezielde hard­ bop smaakvol te verweven met abstracte, modale lijnen.

Rond 1974 worden Randy en Michael Brecker als ‘guns for hire’ zoveel gevraagd in de studio’s dat ze hun eigen groep The Brecker Brothers oprichten rond de ‘signa­ture sound’ van hun eigen blazerssectie. Ze versterken zich met onder anderen r&b altist David Sanborn en met name dank­zij de hippe blazers­arrangementen gaat de ‘sophisticated three part harmony’ vanaf 1975 de hele wereld over. Randy vertelt geregeld dat hij vaak de eerste solo nam, omdat niemand ‘de solo ná Michael Brec­ker’ wilde spelen.

Michael blijft zijn spel noest ontwikkelen en hij oogst alom bewondering met zijn veelzijdigheid, zijn pioniersgeest en zijn even bescheiden als bezielde aanwezigheid. Zijn ster is rijzende. Het is een vruchtbare tijd waarin hij onophoudelijk en met de meest uiteenlopende artiesten werkt, zoals Paul Simon, Mark Murphy, The Average White Band, Mel Lewis, Ron Carter, Manhattan Transfer, James Brown en Frank Zappa. Mede door zijn spectaculaire live­ optredens groeit hij niet alleen in muzikan­ tenkringen maar ook bij het internationale publiek uit tot een fenomeen.

Om altijd zelf te kunnen spelen en te experimenteren openen de broertjes Brec­ ker in 1977 in Greenwich Village hun eigen jazzclub Seventh Avenue South. Hoewel de club slechts tien jaar zou bestaan, was het niet alleen de thuishaven van een hele generatie New Yorkse cross­over­musici maar ook de broedplaats voor allerlei geslaagde muzikale kruisbestuivingen, die weer leidde tot nieuwe bands zoals Steps.

Eigen expressie

Het volledige oeuvre van Brecker ople­ pelen heeft weinig zin. Alleen als side­ man werkte hij al mee aan meer dan zevenhonderd opnamen. Ter illustratie licht ik enkele hoogtepunten uit. In Out And Around (1978) van het Mike Nock­ kwartet laat een vrijgevochten en herboren Brecker horen. De vrije, modale setting verraadt bewondering voor het geluid van zijn Scandinavische collega Jan Garbarek. Deze plaat is een van de eerste tekenen dat hij voorzichtig over een solocarrière nadenkt.

Ook op het album Three Quartets van Chick Corea (1981) is Brecker in bloed­ vorm. Zijn sound en speelstijl zijn inmid­ dels herkenbaar uit duizenden. Terwijl hij diep geworteld is in de modale geest van Coltrane, lijkt hij hieruit ook te willen ont snappen. Brecker is gedreven op zoek naar zijn eigen expressie.

Producer Tommy Lipuma koppelt Brec­ker in 1982 aan componist en arrangeur Claus Ogerman. De lyrische en virtuoze saxsolo’s op een bedje van de soms bijtende, dan weer mierzoete strijkers op het album Cityscape zijn een schot in de roos.

Ook de samenwerking met Pat Metheny pakt geweldig uit. Op de dubbelaar 80/81 mengt hij zijn spel met de minstens zo begeesterde Coltrane-­compaan Dewey Redman, naast de rijke, op folk geënte hippie­jazz van Metheny. Vooral in Eve- ryday I Thank You zit Brecker duidelijk in een magische transitie. Deze vrije setting met Jack DeJohnette en Charlie Haden zal later model staan voor Breckers eerste plaat onder eigen naam.

Hij legde de lat extreem hoog en had de nieuwe standaard gezet, ook voor Nederlandse saxofonisten. Iedereen was het erover eens: Brecker was de norm

Baanbrekend is hij ook op het gebied van elektronica. In de jaren zeventig expe­rimenteert Brecker al met allerlei effecten op zijn sax zoals envelope­filters, octavers, pitch­shifters en wah­wah­pedalen. Zijn nieuwsgierigheid leidt begin jaren tach­tig tot een samenwerking met trompettist Nyle Steiner, die de Steinerphone en later de Akai EWI ontwikkelde, een door blazers aangedreven synthesizer met zeer expres­sieve mogelijkheden. Brecker zou hiermee pionieren en toverde lyrische en fantasie­volle klanklandschappen uit het apparaat.

Na een zoektocht die misschien wel twintig jaar had geduurd, zag het solo­ album Michael Brecker in 1987 eindelijk het levenslicht, voor het Impulse­! label nog wel. Voor Brecker was het hek van de dam. Hierna zou hij nog wel eens sessies doen met anderen, maar zijn eigen queeste als solist had vanaf dat moment voorgoed voorrang. Geliefd en zo vrij als een vogel reisde hij met zijn groepen de wereld over.

Ook noemenswaardig was zijn neus voor talent. Hij speelde een belangrijke rol als mentor van Joey Calderazzo, The Doky Brothers en Larry Goldings.

Melodische lenigheid

Zelfs de meest eigenwijze jazz­aficionado’s konden vanaf begin jaren tachtig niet meer om Brecker heen. Hij legde de lat extreem hoog en had de nieuwe standaard gezet, ook voor Nederlandse saxofonisten. Van Ben van den Dungen tot Jelle Oortman Gerlings, van Leo van Oostrom tot Peter Fraize (die in Den Haag studeerde), van Jasper Blom tot Ferdinand Povel, iedereen op het conservatorium was het erover eens: Brecker was de norm. Wie komt daar ooit nog overheen?

Vanuit welk perspectief je het spel van Brecker ook benadert, iedere muziek­student kan er iets uit halen. De enorme expressie. De grammatica, die de basis vormt van zijn ongeëvenaarde melodi­sche lenigheid, komt duidelijk voort uit de jazz. Als een van de weinigen bleek Michael Brecker in staat om de complexiteit van het heden en verleden samen te vatten in één visie, één attitude. Die kwam vooral neer op: de fundamentals door en door kennen, oneindig uitproberen en heel hard studeren.

Zelf praatte Brecker vol liefde, respect en bewondering over de jazztraditie. ‘Je moet mij niet bestuderen’, zei hij tijdens zijn workshops op het Koninklijk Conservato­rium in Den Haag, ‘maar de grote musici voor mij, zoals Lester Young, Dexter Gor­don, Joe Henderson en Sonny Rollins.’ Waarna hij zelf achter het drumstel ging zitten. Want als je samenspeelt met een drummer moet je ook precies weten hoe het zit. Zijn geheim was duidelijk: vroeg beginnen en gewoon twintig keer zo hard studeren als de rest.

Je voelt het, wanneer je getuige bent van iemand die geschiedenis schrijft. Wie Brec­ker live meemaakte, voelde de zindering van avontuur, focus en muzikale spanning. En plezier!

Totale overgave

Mijn persoonlijke kennismaking met Brecker was begin jaren tachtig met Smokin’ In The Pit, de in Japan opgenomen dubbel-­lp van Brecker’s hobbybandje Steps (later Steps Ahead). Alle muzikale cha­kra’s sprongen spontaan op tien. Zijn spel heeft alles. Een prachtig, vol en wendbaar geluid, perfecte changes, virtuoze verras­singen, duizelingwekkende lijnen, innova­tief en altijd doorspekt met blues. Diepte, breedte, lichtheid, groove.

Zijn solo op het nummer Pools sloeg bij mij in als een bom. Briljant, soulful, acro­batisch, harmonisch onnavolgbaar en wat een energie! Zijn stijl is hier volmaakter dan volmaakt. Vanaf dag één was dit mijn favoriete saxsolo aller tijden en zong ik alles mee (voor zover ik dat kon) tot in de fijn­ste details. Keihard saxofoonsolo’s meezin­gen, er waren niet veel leeftijdgenoten die dat deden.

Dat ik gelukkig niet de enige fan was, merkte ik op het North Sea Jazz Festi­val in 1985 toen Brecker met Steps optrad in het Tuinpaviljoen. Zevenduizend zwe­tende jazzfans zongen de nummers eufo­risch mee. Dat had ik begin jaren tachtig alleen nog meegemaakt met Doe Maar. Waar anderen posters aan de muur hadden van U2 en Henny Vrienten, was ik idolaat van Brecker.

Wat doe je, als beginnend saxofonist? Dan probeer je je idolen na te spelen. Niks mis mee. Maar met Michael Brecker is dat onbegonnen werk. Nog dagelijks loop ik om zijn werk heen, waarbij ik momen­ten van bewondering, nieuwsgierigheid en ontroering afwissel met de reflectie dat ik die standaard nooit ga halen. Dat gevoel maakt weer plaats voor dankbaarheid voor zijn onmetelijke inspanningen, bezieling en talent.

Zijn solo op het nummer Pools sloeg bij mij in als een bom. Briljant, soulful, acrobatisch, harmonisch onnavolgbaar en wat een energie!

Naast zijn concerten komt Brecker ook enkele keren naar Nederland voor het geven van lessen en workshops. Met­ een valt me op hoe introvert hij is. Zacht­aardig, vriendelijk, geïnteresseerd. Geen greintje Amerikaanse poeha. Is dit nu mijn held? De spiegel die hij me hiermee voorhoudt is wel meteen duidelijk. Deze man is niet met zichzelf bezig. Hij is loose, nieuwsgierig, stelt anderen op hun gemak en wanneer hij zelf iets zegt of doet, is het helemaal to the point. Van die beschei­denheid is overigens weinig meer over wanneer hij zijn saxofoon aan zijn lippen zet. Een enorme gedrevenheid, totale con­trole en een messcherpe muzikale focus. Eindelijk hoor ik dat weergaloze, heerlijke geluid van dichtbij.

De treffendste omschrijving van Brecker die ik ooit hoorde, was van mijn vriend (en geluidstechnicus) Tijmen Zinkhaan. We luisterden naar Bob Mintzer en naar Michael Brecker en vroegen ons af welk verschil tussen de tenorreuzen nu toch de doorslag gaf. Allebei geniaal, kwamen we tot de conclusie. ‘Maar’, merkte Tijmen op, ‘bij Bob Mintzer gaat nooit iets kapot’. Ja, dat was het. Brecker gaat altijd tot het gaatje. Je hóórt die bezieling in zijn spel, die totale overgave.

Psychedelische hoogte

De techniek van Michael Brecker is duize­lingwekkend. Een van de leraren die veel invloed op hem heeft gehad is Joe Allard, een befaamde saxofoonprofessor aan de New Yorkse Juilliard School. De jonge Brecker leerde van hem om met een rela­tief constant embouchure de toonkwaliteit over het gehele bereik van zijn instrument te behouden. Dat bereik wist Brecker ove­rigens al vroeg in zijn carrière, in de voet­sporen van illustere r & b collega’s zoals Lenny Pickett, tot welhaast psychedeli­sche hoogte uit te breiden met minstens anderhalf octaaf. Loosgaan, dat kon je aan Brecker wel overlaten.

Hij staat erom bekend vele uren per dag te oefenen. ‘Ik ben een trage leerling’, zegt hij er zelf over. Tot aan zijn dood in 2007 neemt hij lessen en blijft hij zich ontwik­kelen. Voorbeelden daarvan zijn flirts met Westafrikaanse muziek op zijn latere solo­ albums, zijn verregaande interesse in de Balkanmuziek van de groep Farmer’s Market en zijn arrangement vol uitgespeelde akkoorden in Naima, dat hij a capella speelde tijdens de tournee met Herbie Han­cock en Roy Hargrove omstreeks 2002.

Was Brecker in 1982 de norm, veertig jaar later kunnen we concluderen dat zijn invloed als saxofoon­uitvinder nog veel groter is dan we allemaal dachten. Dat iemand het geluid van bijna vijf decennia baanbrekende muziekgeschiedenis zo sterk belichaamt, komt zelden voor.

In de jaren na Brecker zijn er veel gewel­dige tenorsaxofonisten opgestaan. Chris Potter, Mark Turner, Seamus Blake, Joshua Redman, Melissa Aldana, noem ze maar op. Ook zij voelen zich schatplichtig aan Michael Brecker. Niet zozeer aan zijn per­soon, maar aan datgene, aan dat ‘hogere’ waar Michael Brecker zich zijn hele leven vol devotie voor heeft ingezet: the spirit of jazz.

In oktober verscheen de biografie Ode To A Tenor Titan: The Life And Times And Music Of Michael Brecker (Hal Leonard/Rowman & Littlefield) door Bill Milkowski, die eerder de biografie van Jaco Pastorius schreef.

Met dank aan Bert Vuijsje. En dank aan Louis Gerrits van de Facebook-groep In Honor of Michael Brecker.

Dit artikel werd gepubliceerd in Jazz Bulletin 121, het tijdschrift voor Vrienden van het Nederlands Jazz Archief (klik op de link om een gratis proefexemplaar aan te vragen).

tom beek (c) hans reitzema

Tom Beek is saxofonist, schrijver, fotograaf, consultant en WordPress specialist. Regelmatig te vinden op Twitter en Instagram. Gek op jazz en koffie. Ruikt aan boeken.

Gedachten over “Michael Brecker, de inspirator”

Plaats een reactie